Ik kan niet wachten om weer thuis te zijn. Om op de bank te zitten met mijn lieve vrouw en samen thrillers te kijken, of een goeie Stephen King film, die we allebei zo geweldig vinden. Ik huppel zowat de metalen trap van ons studiocomplex op, gris met trillende handen naar de sleutels in mijn zakken, en open ik de voordeur. Mijn schoenen vinden hun vertrouwde plek, ergens lukraak bij de ingang, waarna mijn stinkende sokken aan de koude vloer plakken. Vlugjes loop ik de badkamer in, om een vers paar aan te trekken, zodat ik niet mijn viezigheid van buiten mee naar binnen trek.
De gehele badkamer heeft een overweldigende geur van goedkope wasverzachter, rozengeur, specifiek, de favoriete geur van mijn vrouw. Daaronder, een zwaar aroma van goor zweet, die de zwakke, delicate geur van roosjes nooit zou kunnen doen verdwijnen. Aan het wasrek hangt voor mij weer geen schoon shirt of vers paar sokken, alleen haar stinkende kleren, die op een of andere manier nooit schoon uit de was komen. Hoe moeilijk kan het zijn? De douche zelf, is ook natuurlijk weer kurkdroog, en een vochtige handdoek is ook nergens te bekennen. Achja, zo lang geleden was het nou ook weer niet.
Zachtjes treed ik de kleine woon-slaap-keuken-kamer binnen van onze studio, op zoek naar een teken van leven. “Daar ben ik weer!” zeg ik, half binnensmonds. Daar ligt ze, weer, in het bed in de hoek van de kamer. Ik probeer niet te boos op haar te zijn, want ik weet dat ze haar best doet, maar toch. Ik zucht, en begin om wat eten voor ons klaar te maken. Diepvriespizza, voor de zoveelste dag achter elkaar. Ik veeg de broodkruimels van de twee minst vieze borden in de keuken en leg twee pizza’s in de oven, waarbij ik genoodzaakt mijn neus dichtknijp als ik de ovendeur open. Één margherita, en één kip pesto — 35% korting. Ik dek de tafel en serveer de pizza’s.
“Schat, kom je eten?” - Roep ik, naar de andere kant van de kamer, met iets meer zelfvertrouwen dan voorheen - Alhoewel ik het antwoord op de vraag weet, voel ik spanning in de stilte. “Lief? Ben je wakker?” vraag ik, ditmaal wat zachter. Het blijft stil. Kutwijf. Ik bijt door de gore pizza’s heen, zowel mijn margherita, als haar afgrijselijke kip pesto; als ze gewoon wakker zou worden hoefde ik deze zooi niet naar binnen te werken, om het zomaar weg te gooien kunnen we ons niet veroorloven. Bij driekwart kip pesto geef ik het op, en smijt ik de borden weer terug in de wasbak, waarbij ik net haar favoriete glas mis. Shit. Als ik die kapot had gemaakt, had ik me echt slecht gevoeld. Ik kijk in me eentje maar een Stephen King film, “The Night Flier”.
Ondertussen is het laat in de avond, of vroeg in de ochtend, maar nu voelt het eindelijk alsof ik mijn bed in kan kruipen. Mijn lieve vrouw ligt al een tijdje, en ik doe mijn best om haar niet te storen terwijl ik stilletjes de dekens omhoog til om naast haar te kruipen. Koud. Het is altijd zó koud, als je net onder de dekens kruipt. Maar dat krijg je, als je de gasrekening niet kan betalen. Ook zij ruiken naar roosjes, of tenminste, dat is de bedoeling. Ergens, tussen de metalen geur van onze oude wasmachine en chemicaliën, zit inderdaad een roosje verstopt. Ergens anders in onze veels te kleine studio verstopt zich een andere, gore geur. Ik beweeg me met net teveel moeite voor een man van mijn leeftijd weer rechtop, en kijk rond; naar de vaat die niet gedaan is, het onopgeruimde bureau en het bord met een kwart reeds herbevroren diepvriespizza. Veel meer is er hier niet. Het zal die gore pizza, of de liters zonnebloemolie die ik lukraak in de gootsteen gooi zijn.
Naast het geluid van de takken van de boom buiten die zachtjes het enige kleine raam wat we hebben streelt, is het stil. Er is geen enkel geluid in dit kleine huisje. "Tot morgen" fluister ik in haar oor, en ik geef haar een zachte kus.
Als er iets is waar ik niet tegen kan, is het wel het geluid van een kraan die niet zijn bek kan houden. Tevergeefs heb ik geprobeerd er doorheen te slapen, maar eigenlijk wist ik al dat het toch niet ging werken. Ik zucht en plaats mijn blote voeten op de koude laminaatvloer, en beweeg me geïrriteerd naar de kraan. Ik draai hem dicht. De geur die lichtelijk irriterend was toen ik in bed kroop, is ondertussen uitgebreid tot een gore stank, die de hele studio vult. Met koude tengels zet ik de kraan toch maar weer aan en begin met de vaat. Stuk voor stuk pak ik elke pak en schrob ik hem zo hard als ik kan met een staalspons. Het interesseert me niks dat ze zo naar de tering gaan, ik wil godverdomme slapen.
Met rode, pijnlijke handen van het schrobben, kijk ik minachtend naar mijn stille vrouw, die blijkbaar overal door heen kan slapen. Als zij gewoon de vaat zou doen, was de hele bende niet zó erg gaan stinken dat ik niet meer kan slapen. Maar ja, ik hou van haar. Het is oké. De geur lijkt iets minder nu, ik denk dat het geholpen heeft. Snel schiet ik weer mijn bedje in, nu dat de kraan eindelijk stil is en de geur iets minder is, kan ik hopelijk wel slapen.
Maar de kou, godverdomme die kou. In bed lijkt het nog kouder dan in de kamer zelf, nu dat ik even uit bed ben geweest. Alhoewel ik weet dat we het niet kunnen betalen, kruip ik weer uit bed en zet ik de kachel aan, zodat ik tenminste morgen nog in staat ben óm geld te verdienen. Nog voordat ik de kans heb om mij om te draaien en terug te lopen naar het bed, hoor ik het. De takken bonzen ondertussen tegen het raam, dat begonnen is met kraken onder het gewicht van elke slag.
Ik voel het weer, die woede. "LAAT ME GODVERDOMME MET RUST" Schreeuw ik, tevergeefs, tegen de kraan, het raam, het bed en de takken buiten. Heel snel, alsof ik iets écht fout heb gedaan, beweeg ik mijn hand voor mijn mond. Ik kijk om, maar het bed blijft stil. Gelukkig. Alsof iemand mijn bericht heeft gehoord, begint de wind buiten te kalmeren. Het geluid van de takken stopt, het raam is stil, de kraan drupt niet meer, en de pizza is ondertussen weer aan het ontdooien nu dat het weer warmer wordt. De geur blijft aanwezig, maar hier kan ik wel door heen slapen, zeg ik tegen mijzelf. Eindelijk, weer terug in mijn bed.
Koud. Het bed ís koud. Het is niet mijn verbeelding, het is echt kouder in bed, dan dat het is in de kamer. Normaal houd ze niet van knuffelen in bed, maar ik weet dat ze het me zou vergeven. Ik leg mijn armen om haar heen, en kijk haar liefdevol aan. "Sorry, lief", fluister ik in haar koude oortjes. Zachtjes draai ik haar hoofd naar me toe, zodat ze me aan kan kijken, met die mooie glazen ogen van haar. Ze komt dichter bij me, kust me met haar blauwe lippen en streelt mijn tong met de hare. Haar pruimkleurige, gekneusde keel verleidt me en ik kan het niet weerstaan om haar nek te zoenen. De afgrijselijke geur vult mijn mond en longen, maar het is oké. Morgen zullen we samen douchen, en dan ruikt het hier weer fris.
Ik spuug het kleine stukje huid wat ik perongeluk heb afgescheurd uit, en val langzaam in slaap.